De moed van het nog niet fixen: hoe de ziel haar eigen tempo kiest
Op de allerlaatste dag van de workshop stapte hij naar voren. Een ingetogen, petite man, met een onmiskenbare stevigheid. Door zijn tranen heen deelde hij een diep inzicht: hij was er tijdens onze dagen achter gekomen dat hij nooit echt had gevoeld hoe groot het gemis was van zijn tweelingbroer, die direct bij de geboorte was overleden.
Ik dacht altijd dat ik als enig kind was opgegroeid…
Zijn leerdoel — steviger zijn eigen koers varen — had alles te maken met deze nog niet genomen rouw. De dynamiek van een overleden tweelinghelft is immens krachtig. Vaak leeft de overlevende onbewust met één been in de wereld van de doden, waardoor werkelijk aarden op het eigen levenspad bijna onmogelijk lijkt.
In het systemisch werk is een van de belangrijkste wetmatigheden dat iedereen het onvervreemdbare recht heeft om erbij te horen. De levenden én de doden. En bij dat recht hoort ook een diepe, innerlijke plicht: de plicht om niemand buiten te sluiten.
Deze manager voelde die roep met heel zijn lijf en leden. Hij wist dat hij zijn broer moest insluiten om zelf voluit te kunnen leven.
Hij wilde dat zijn broer gezien werd. Maar hij voegde er direct ferm aan toe: ‘Ik ben er nog niet aan toe om met deze rouw te werken.’
Zijn armen om zijn lijf geslagen. Dit was van hem.
Vaak denken we bij therapie en training dat ‘heling’ betekent dat we direct de diepte in moeten duiken en het moeten oplossen. Maar de werkelijke systemische wijsheid ligt in het respecteren van de horizon van de cliënt. Als deelnemer ben jij de regisseur van je eigen proces.
Soms is het contract simpelweg: het verduisterde mag héél even in het licht staan.
Door zijn grens zo helder te markeren, nam deze man in wezen al een enorme plek in. Hij eerde de plicht om zijn broer erbij te laten horen, én hij zei ja tegen zijn eigen menselijke beperking en angst van dat moment.
Zijn broer is gezien. Het zaadje is geplant. De ziel doet haar werk wel, in haar eigen, tijdloze tempo.